Andere onderwerpen
 

Evolutie is voor Christenen geen probleem

Stephen Jay Gould, de vermaarde paleoloog en biohistoricus, is erachter gekomen dat tussen wetenschap en religie geen tegenstelling bestaat. Sint-Augustinus had dat zestienhonderd jaar eerder al gezegd. Toch denken veel Christenen nog dat zij het letterlijke scheppingsverhaal moeten verdedigen.

Heeft Charles Darwin, de vader van de moderne evolutietheorie, ooit zijn tijdgenoot Francis William Newman gekend? Jazeker, omstreeks 1850 koos hij hem zelfs als gids bij zijn religieuze heroriëntatie. Hij las zijn boeken met intense aandacht. Uit onvrede met de Anglicaanse kerk ondernam Newman een onderzoek naar de betekenis van overgeleverde dogma's. Zijn bevindingen waren echter diametraal tegengesteld: Newman kwam uit bij een soort vrijzinnig protestantisme dat orthodoxie en dogma's als betekenisloos terzijde schoof. In plaats daarvan stond hij een strikt persoonlijke devotie voor.

Annie's dood

Tot dat laatste is het bij Darwin nooit gekomen. Darwin had, bij alle genialiteit, geen religieuze natuur. Op school bleek hij een typische bèta, die zich verveelde bij taal en cultuur (zijn schoolboek klassieke geschiedenis is nog steeds te bezichtigen en zit ondergeklad met doedeltjes en gekke tekeningetjes). Hij leefde pas op als de echte 'harde' natuurwetenschappen ter sprake kwamen. Toch blijkt uit zijn belangstelling voor Newman dat Darwin in de jaren voor zijn beroemdste boek The Origen of Species (1859) wel degelijk religieus op zoek was. Die zoektocht werd echter afgesneden door de dood van zijn dochtertje Annie in 1851. Darwin was dol op haar. Hij kon haar dood slechts bevatten als een wrede schifting van de natuur overeenkomstig zijn gedachten over de evolutie. Annie had immers een zwakke gezondheid. Hij kon het echter niet in overeenstemming brengen met het beeld van een almachtige liefhebbende God, de Vader en Schepper die het christendom hem had geleerd.

Wonderbaarlijk universum

Hoewel Darwin uiteindelijk dus naar het atheïsme neigde, was hij intelligent genoeg om ook van dit standpunt de beperkingen in te zien. Je kunt weliswaar aannemen dat er geen God is, maar je kunt het nooit bewijzen. En bovendien lost het niets op: het mysterie van het bestaan wordt er niet door verhelderd. Ook in zijn correspondentie met gelovige collega's valt Darwins redelijkheid op, gepaard met respect voor andermans gevoeligheden op religieus terrein. Negen jaar na de dood van zijn dochtertje schrijft hij aan een collega dat hij nooit de bedoeling had het atheïsme te prediken. "Maar", voegde hij eraan toe, "ik moet toegeven dat ik minder duidelijk dan anderen - en dan ik zelf zou willen - aan alle kanten om ons heen aanwijzingen voor een plan en een weldadige bedoeling kan zien. Er lijkt mij teveel ellende in de wereld." Geheel afzien van enige 'zin', kost ook Darwin moeite: "Van de andere kant vind ik het ook onbevredigend naar dit wonderbaarlijke universum te kijken, en vooral ook naar het wezen van de mens, om tot de conclusie te komen dat dit alles de uitkomst is van brute kracht. Ik neig ertoe alles te zien als voortgekomen uit wetten met een vooropgezette bedoeling, waarbij de details, goed of slecht, worden overgelaten aan de werking van wat wij het toeval mogen noemen. Niet dat deze gedachte mij ook maar enigszins bevalt. Ik ben er diep van doordrongen dat het hele onderwerp voor het menselijk verstand niet te bevatten is. Een hond zou met evenveel succes iets over Newtons geest te berde kunnen brengen." Gebrek aan ontzag voor de grootsheid van de schepping kan Darwin dus niet verweten worden.

Het Darwin effect

Het schijnt dat Freud ooit gezegd heeft dat een wetenschappelijke revolutie altijd uit twee delen bestaat. Het eerste deel is de aanvaarding van het nieuw ontdekte feit zelf, bijvoorbeeld dat de aarde om de zon draait, zoals Galileo Galilei aantoonde. Het tweede deel is het verwerken van de consequenties van die aanvaarding voor de status van de mens, bijvoorbeeld dat hij niet meer centraal in het heelal staat zoals hij oorspronkelijk dacht: de aarde die hij bewoont, draait immers rondjes om een ander en oneindig veel groter hemellichaam, ergens in een uithoek van het universum. De revolutie die Darwin veroorzaakte, heeft een soortgelijk effect gehad dat nog steeds niet is uitgewerkt. De ongelovige Engelse auteur A.N. Wilson, die eerder 'biografieën' van Jezus en Paulus schreef, heeft in De begrafenis van God de fall-out van Darwins explosieve theorie in kaart proberen te brengen. Hij houdt zich voornamelijk bezig met de negentiende eeuw in Engeland en dan vooral met de literatoren. Het boek wordt gekenmerkt door het besef van de auteur dat er iets niet klopt: oké, God is dood en begraven, maar zijn Kerk is nog springlevend en wordt bevolkt door moderne mensen. Sommigen van hen zijn niet alleen intelligent en ontwikkeld, maar beschouwen hun geloof ook nog eens als de diepste inspiratie van hun leven. Het is een probleem waar Wilson niet uitkomt en ook geen nieuw licht op kan werpen. De verdienste van het boek ligt dan ook in de aantrekkelijke historische en literaire informatie die het bevat en waarvan in de eerste alinea's van dit artikel dankbaar gebruik gemaakt is.

God en Darwin

De eigenlijke aanleiding is echter de Nederlandse vertaling van een boek van de bekende bioloog Stephen Jay Gould, één van de meest gelezen natuurwetenschappers ter wereld. In God en Darwin behandelt hij naar eigen zeggen een "non-probleem", namelijk de "vermeende" tegenstelling tussen natuurwetenschap en religie. Om het boek maar meteen samen te vatten: volgens Gould kunnen zich tussen die twee helemaal geen tegenstellingen voordoen, zolang ze zich maar niet op elkanders terrein begeven. Om dat te bevorderen introduceert hij het NOMA-principe. NOMA staat voor Niet Overlappende Magisteria. Zowel godsdienst als natuurwetenschap hebben hun eigen bereik, hun eigen 'magisterium', waarbinnen ze gemachtigd zijn uitspraken te doen. "De natuurwetenschappen streven ernaar de werkelijkheid van de natuur in kaart te brengen en theorieën op te stellen die de aangetroffen feiten met elkaar in verband brengen en verklaren. De religie beweegt zich daarentegen op het even belangrijke, maar geheel verschillende terrein van de menselijke strevingen, zingeving en waarden - onderwerpen die binnen het feitelijke bereik van de natuurwetenschappen wel verhelderd, maar nooit opgelost zullen kunnen worden."

Schepping of evolutie

Goulds boek heeft als achtergrond de typisch Amerikaanse situatie waar al de hele twintigste eeuw een ware loopgravenoorlog woedt tussen voor- en tegenstanders van de evolutietheorie. Die tegenstanders zijn voornamelijk fundamentalistische protestanten die vasthouden aan een letterlijke interpretatie van het boek Genesis. Zij hebben een would-be wetenschap uit de grond gestampt, het creationisme, dat het scheppingsverhaal van Genesis feitelijk moet onderbouwen. In Nederland is het creationisme onder bepaalde groepen orthodoxe protestanten eveneens verbreid, het wordt hier alleen niet zo agressief uitgedragen. Goed beschouwd valt de Reformatie daarmee in de kuil die ze zelf heeft gegraven. Doordat zij de Bijbel als alleenzaligmakende autoriteit heeft uitgespeeld tegen een verdacht gemaakte traditie, is zij op straffe van zelfvernietiging nu wel gedwongen tegen de evolutietheorie de letterlijke waarheid van Genesis hoog te houden. Het is een dominodoctrine: valt Genesis, dan valt de Bijbel, dan valt het christendom, dan valt de moraal, dan valt de Amerikaanse samenleving. In de Amerikaanse politiek is het een kwestie van aanzienlijk electoraal belang

Katholieke visie

Stephen Jay Gould doet daarentegen in zijn boekje de (voor hem verrassende) ontdekking dat de evolutietheorie voor de katholieke Kerk geen bedreiging vormt en dat de Kerk er ook nooit bang voor geweest is. Weliswaar liep Pius XII in zijn encycliek Humani generis (1950) persoonlijk niet erg warm voor het idee van evolutie, maar als hypothese mocht het van hem wel, mits men de goddelijke schepping en de inplanting van de ziel maar niet loochende. Johannes Paulus II heeft in 1996 tot voldoening van Gould erkend dat de bewijzen voor de evolutie inmiddels zeer sterk zijn. Voor de katholieken gaat het er nu dus om hoe dit immense, tot in de details van de schepping doordringende nieuwe inzicht theologisch verwerkt gaat worden. Voor het geloof als zodanig brengt dat natuurlijk geen enkele verandering met zich mee. Ook de status van het boek Genesis blijft erdoor onaangetast. Als Gould te rade was gegaan bij Sint Augustinus en bij Kardinaal Newman (de oudere broer van Francis William Newman), was zijn verrassing wellicht minder groot geweest. Augustinus verzette zich namelijk in de vijfde eeuw al tegen het idee dat uit de Bijbel natuurwetenschap te peuren zou zijn. In De stad Gods stelt hij vast dat Genesis nooit als een letterlijke 'scheppingsgeschiedenis' opgevat kan worden. De zon zou op de vierde dag geschapen zijn. Hoe kunnen dan de drie voorafgaande dagen bestaan hebben, als er geen zon was? Denken dat God werkelijk rustte op de zevende dag noemt Augustinus "kinderlijk": "alsof God gezwoegd had bij zijn werk". Ten aanzien van Genesis besluit hij: "Zoals het ons wordt voorgesteld, kunnen we het niet begrijpen". Maar hij voegt er onmiddellijk aan toe: "En toch moeten we het zonder aarzelen geloven."

Belachelijke dwaasheid

Kardinaal Newman zit in zijn Idee van een universiteit op vrijwel dezelfde lijn als Augustinus dertienhonderd jaar eerder. Ook hij wijst erop dat de wetenschap zich met de zichtbare, de theologie zich met de onzichtbare wereld bezig houdt. Niet alleen hun onderwerpen, ook hun methodes zijn totaal verschillend. Zo is de natuurwetenschap inductief (gegevens verzamelend en ordenend en daaruit de waarheid destillerend) en de theologie puur deductief (logisch redenerend vanuit door openbaring verkregen gegevens). Kardinaal Newman vindt wel dat het scheppingsverhaal een uitzonderingsstatus heeft. "Inderdaad is de Openbaring in enkele gevallen buiten haar eigen terrein, dat van de onzichtbare wereld terechtgekomen, om licht te werpen op de geschiedenis van het heelal." Hij wijst er echter op dat deze passages van de Kerk nooit een definitieve interpretatie hebben meegekregen. Het zou dus onverstandig zijn voor gelovigen daar op vooruit te willen lopen.

Verstandige woorden, maar voor fundamentalistische Christenen is Newman natuurlijk nauwelijks een autoriteit. Beter zouden zij te rade kunnen gaan bij Sint Augustinus die de dwaasheid van het creationisme aan leek te voelen komen toen hij waarschuwde: "Het is erg schandelijk, slecht en het moet nadrukkelijk vermeden worden dat een christen die over dergelijke zaken spreekt als zijnde in overeenstemming met de H. Schrift, gehoord wordt door een ongelovige, terwijl die hem zulke onzin hoort verkopen dat hij, inziend dat de christen er volkomen naast zit, nauwelijks zijn lachen kan bedwingen." Het kwalijke daarbij, zegt Augustinus, is natuurlijk niet dat er een dwaas wordt uitgelachen, maar wel dat zijn dwaasheid aan de H. Schrift zal worden toegeschreven.

Stephen Jay Gould God en Darwin Uitg. Contact, 176 pp ISBN 90-254-9816-7
A.N. Wilson De begrafenis van God Uitg. Prometheus, 418 pp ISBN 90-5333-889-6

Bron: Katholiek Nieuwsblad

 
Stichting InterKerk, Fabritiuslaan 17, 2241 JR Wassenaar, tel.: 06 123 54 707, fax: 08 421 41 755, email